dinsdag 29 april 2014

De gril(l) van de mens

Dit artikel verscheen in De Standaard van 30-4-2014

Piet Huysentruyt gooit een kreeft levend op de grill en Vlaanderen kookt van woede om zoveel barbarij op TV. Mensen willen met Piet doen wat hij met de kreeften doet. Ook VIER is de kop van jut. Acteur Pol Goossen schreef dat hij er nooit voor zou willen werken.

De verontwaardiging is groot, zoals dat wel vaker gaat wanneer het om dierenleed in media of cultuur betreft - denk maar aan Jan Fabres katten. Er zijn op zo’n momenten altijd wel een aantal stemmen die zich afvragen waar al de heisa om draait, en of we ons niet beter met menselijk onrecht en onheil zouden bezighouden: de Syrische crisis, de treinramp in Congo, de verkeersdoden of armoede in eigen land, … Kreeften- en andere dierenkwesties verbleken erbij, klink het, en het zou gepaster zijn om onze verontwaardiging te reserveren voor dat mensenleed.

Er zijn echter een aantal zaken die maken dat dierenleed, en vooral dierenmishandeling, erg veel intuïtieve verontwaardiging opwekt. Er is eerst en vooral de weerloosheid van het dier. Van de zeven dieren die een Vlaamse familie neerknalt in vijf dagen in Zuid-Afrika (Terzake vorige week) tot de kreeft op de snijplank van Piet Huysentruyt: de getroffen dieren hebben geen enkel verweer. De onfairheid is wraakroepend. Des temeer omdat dieren letterlijk de vermoorde onschuld zijn.

De dieren hebben ook helemaal niets te maken met de situaties waar ze in belanden. Ze zijn geen consenting adults. Ze worden betrokken in het amusement en entertainment van mensen, zonder dat wij daar vragen bij stellen. We zien hen als gebruiksvoorwerpen waarmee we kunnen doen wat we willen. En dat terwijl we heel goed weten dat ze andere keuzes zouden maken, als ze konden.

Tergend is tenslotte ook dat het gaat om ellende die doorgaans niet algemeen afgekeurd wordt. Van onrecht tegen mensen mag je meestal aannemen dat de meeste fatsoenlijke burgers het tenminste in theorie afkeuren, en dat men er in een of andere mate politiek mee bezig is, dat er geluisterd wordt - ook al kan het allemaal lang duren. Bij dieren is het heel vaak niet zo. De woordvoerder van VIER vond het in zich om te midden van alle heisa te zeggen dat hij het probleem niet ziet en verdedigt onverdedigbare praktijken.

Samengevat, wie empathisch is en die kreeft voor een glunderende Huysentruyt ziet liggen, ziet een machteloos en onschuldig wezen, dat tegen zijn wil betrokken is geraakt in een of andere gril van de mens. Olie op het vuur is het besef dat de kwestie door velen niet serieus genomen wordt.

Voor wie deze verontwaardiging misplaatst vindt en meent dat we onze compassie in de eerste plaats moeten voorbehouden voor mensen: ons mededogen en ons gevoel voor rechtvaardigheid zijn geen eindige reservoirs, die je zorgvuldig en angstvallig moet verdelen over verschillende onderwerpen en doelgroepen. Empathie is een grondhouding, die zich uit naar alle wezens die belangen hebben. Er is geen reden waarom het zou moeten stoppen bij de soortgrens. Empathie voor dieren en mensen zijn bovendien verwant. Kinderen leren empathie op te brengen voor dieren rondom hen, op TV, in kinderboeken. Veel van diezelfde dieren vinden ze ook in de keuken en op hun bord terug. Het is daar en dan dat we hen iets kunnen leren over medeleven. Voor iedereen die voelt.

maandag 28 april 2014

Levende gegrillde kreeften en het probleem van de pacifist

Ik loop al een hele dag opgefokt rond. Ik heb vanochtend de beelden gezien van Piet Huysentruyt die - omdat dat zo het lekkerst is - met de glimlach levende kreeften op zijn grill gooit, nadat hij hun poten afgetrokken heeft. En ik moet een en ander van me afschrijven. Bij deze.



De meeste mensen kennen mij als een optimistisch en positief ingesteld individu - sommigen zouden zeggen naïef optimistisch en irritant positief. Ik kan van de vreselijkste dingen de voordelen zien, en ik kan begrip opbrengen voor heel veel. Maar af en toe kook ik, van onmacht en van woede, om zoveel leed en zoveel dommigheid.

Over dat koken wil ik het even hebben. En over wat een pacifist moet doen wanneer hij kookt, wanneer zijn begrip en geduld opgebruikt zijn.

Het probleem is dat kwaad worden weinig helpt. Integendeel: het doet zelfs meer kwaad dan goed. De mensen die echt begaan zijn met dieren - zo begaan dat ze ze niet willen opeten - zijn nog met te weinig om, zelfs als ze allemaal op hetzelfde moment koken - het verschil te maken of een impact te hebben. Wie kwaad wordt, komt minder overtuigend over, gaat vaak beschuldigen en zo anderen tegen zich in het harnas jagen. Dat werkt allemaal zelden of nooit. Het is eventjes een ontlading voor onszelf, maar het zet weinig zoden aan de dijk.

Hetzelfde wat betreft vluchten. Soms denk ik: ik wil naar een andere planeet, of tenminste een onbewoond eiland. Weinig praktische oplossingen. En ook: hoe gaan we de zaken dan vooruithelpen? Ons isoleren staat min of meer gelijk aan opgeven.

En ik begrijp dat sommige mensen voorbij het kookpunt gaan, geen geduld meer hebben en zich helemaal laten gaan. Ze gaan dingen saboteren, vandaliseren… alles om het gevoel te hebben dat ze een verschil maken. Maar ook dat is niet de meest pragmatische oplossing, denk ik.

Zelfs al hadden we de perfecte reclamespot en miljoenen en miljoenen euro's voor prime time advertenties, dan nog zou het niet lukken om van vandaag op morgen de wereld te creëren die we willen.

Ik vrees dat we vooral nog steeds veel begrip en geduld nodig hebben, hoe moeilijk we die soms ook kunnen opbrengen. Ons best doen, het goede voorbeeld geven, een positieve boodschap uitdragen, alternatieven tonen. En een gemeenschap vormen met gelijkgezinden. Tot de dag er is waarop er genoeg mensen zijn die geven om dieren, of om eender wat voor problematiek. De dag waarop het kantelpunt bereikt zal zijn, en genoeg mensen zeggen dat het genoeg geweest is.

Die dag komt. Zeker weten. Nog even volhouden.

PS: je kan je ongenoegen laten weten aan VT4, via smakelijk@vier.be. Of op de facebookpagina van Likoké, het restaurant van PH. Of op de facebookpagina van Smakelijk. Overtref jezelf, en wees begripvol en vriendelijk :-)

dinsdag 22 april 2014

Je zou er vlees van gaan eten

Af en toe kom ik - live of op het web - vegetariërs of veganisten tegen die zo drammen, preken, duwen en doorbomen dat ik bij mezelf denk: ik zou er voorwaar bijna vlees van gaan eten. (Ik ben ook zo geweest, dus ik versta die mensen - maar dit terzijde.)

Dat is uiteraard geen serieuze gedachte, maar toch, de mogelijke negatieve effecten van goed bedoelde communicatie moeten we serieus nemen. Gisteren stootte ik op het artikeltje "Is Richard Dawinks leading people to Jesus?" Dawkins is zo ongeveer het vleesgeworden athëisme. De gedachte dat mensen het geloof nader zouden onderzoeken omdat ze zijn pogingen om anderen tot het atheïsme te bekeren te opdringerig of slecht geargumenteerd vinden, moet een kaakslag zijn voor de arme man.

Het doet me wat denken aan wat men in de wereld van de sales persuasion resistance noemt, of de natuurlijke afkeer die we hebben tegen pogingen om ons van iets te overtuigen. Mensen willen uiteraard niet overtuigd worden om iets te doen dat ze eigenlijk niet willen doen. Meer nog, de meeste mensen willen überhaupt niet overtuigd worden tout court, omdat overtuigd worden door iemand anders in hun ogen ergens gezichtsverlies betekent. Hun mening was niet goed genoeg, iemand anders heeft hen iets moeten doen inzien waar ze niet zelfstandig toe gekomen zijn, enzovoort. "Ik zal mijn leven zelf wel veranderen," hoor ik een vriend nog kwaad reageren op een boek waarop stond "dit boek verandert je leven".

Dat niet willen overtuigd worden slaat natuurlijk maar op weinig - we worden allemaal de hele tijd door vanalles en iedereen beïnvloed of overtuigd, soms druppelsgewijs, soms directer - maar het is nu eenmaal hoe we in elkaar lijken te zitten.

Als je wil dat mensen van mening of gedrag veranderen, kan je hen best niet het gevoel geven dat je ze wil overtuigen van iets.

Overtuigd?

vrijdag 18 april 2014

Over vage-tariërs, vergeetariërs en veel-te-gaar-iërs

Eten is vandaag een ingewikkelde zaak geworden. We zijn enorm bezig met wat nu gezonde of duurzame voeding is (de bewuste consumenten onder ons, tenminste). We weten niet meer wat we moeten eten, en - meer nog - we weten soms ook niet meer wat we eten: rundvlees blijkt paardenvlees, kaas bevat geen kaas, er kan met genen geprutst worden, enzoverder. En als het spreekwoord "je bent wat je eet" klopt, dan weten we dus niet meer wie we zijn. Sta me toe de verwarring een beetje te vergroten, en even de verschillende mogelijke verschijningsvormen van de eter te schetsen, volgens de schaal van veel naar weinig vlees.

- helemaal beneden hebben we de "echte vleeseter": de persoon die bijna geen groenten eet. Meestal is het een (vaak wat oudere) man. Hij is fier op zijn vleeslust - wil zijn biefstuk liefst bleu of ten hoogste saignant - en vindt groenten voor mietjes. Deze groep van mensen wordt vandaag gelukkig met uitsterven bedreigd.

- daarboven zitten onbewuste eters of omnivoren - nog altijd een grote groep van mensen. Ze hebben niet bepaald een carnivore ideologie zoals de echte carnivoren, maar het is nu eenmaal zo dat ze door opvoeding, cultuur... bijna elke dag vlees op hun bord liggen hebben. Ze zijn eigenlijk niet vrij: ze eten wat hun ouders en grootouders aten, wat de reclame hen vertelt, wat de supermakt afprijst, enzovoort.

- de eendagsvegetariër of Donderdag Vegetariër staat al een heel stuk verder: hier zien we voor het eerst een intentie, een bewust omgaan met af en toe geen vlees. De Donderdag Vegetariër sluit bewust vlees voor een dag per week uit, omdat hij of meestal zij weet dat dat een goede zaak is voor dier en milieu, en niet in het minst voor de eigen gezondheid.

- de flexitariër of parttime vegetariër doet daar een stukje bovenop. We zitten aan zeker drie dagen vegetarisch per week - doe je 3.5 dagen dan ben je een demitariër. Hier zitten veel groene en bewuste mensen, bakfietsmama's, andersdenkenden en anderslevenden. Soms gaat het hier over het subtype de vergeetariër, die groenten zodanig lekker vindt dat ze ze niet meer mist en eigenlijk vergeet om vlees te eten. Je kan ze soms ook tragetariërs noemen. Ze doen het op 't gemak.

- de voorkeursvegetariër zal voor vegetarisch kiezen waar de optie er is. Ze wordt verleid door vlees wanneer het haar aangeboden wordt, wanneer er voor de zoveelste keer alleen maar kaaskroketten of omeletten op het menu staan, enz. Het zijn mensen die naar buiten toe overkomen als vegetariërs maar die er niet expliciet over doen. Vandaar dat ze ook bekend staan als vage-tariërs. Ze doen er wat vaag over. Vandaar dat ze door kwatongen soms ook worden aanzien als fake-tariërs.

- hier ergens tussen zitten pescotariers (geen vlees wel vis) en pollotariërs (geen rood vlees, wel kip)
- de bijna-vegetariër of bijnatarier is de persoon die nog slechts héél af en toe een uitzondering maakt. Ze eet, zeg maar, één keer per jaar de stoverij van de oma. Of wanneer ze bij een onontdekte stam in Afrika of het amazonewoud belandt en daar speciaal voor haar het beste plaatselijke zoogdier wordt geslacht, zal ze het niet weigeren

- de vegetariër tout court - of lacto-ovo vegetariër, is de persoon die consistent en uitzonderingsloos alle vlees en vis - en producten waarin ingrediënten zitten van geslachte dieren, zal weigeren

- de veganist eet geen dierlijke producten tout court meer, enkel nog plantaardig. Dus geen vlees, geen vis, geen zuivel, geen eieren, geen honing. Een veganist kan natuurlijk ook bijna-veganist of flexi-veganist zijn. Een subtype van de veganist is vaak (maar niet altijd) de rawfoodie, die enkel rauwe plantaardige producten eet, of de fruitariër, die alleen de vruchten van planten eet (inclusief noten en zaden), maar niet de planten zelf.

Al deze mensen verschillen niet alleen in termen van hoeveel dierlijk of plantaardig ze eten, maar ook hoe ze erover communiceren. Tegenover de vage-tariër, die er heel vaag over doet, staat bijvoorbeeld de houding van de veel-te-gaariër, die soms een tikkeltje te fanatiek met zijn overtuiging omspringt.


maandag 14 april 2014

Bullshit detector

Het ene dier strelen we, het andere dier eten we of (dragen we, in de vorm van schoenen of een handtas). Het is de befaamde vleesparadox. Er zijn al vele artikels en boeken over geschreven. Melanie Joy's why we love dogs eat pigs and wear cows, bijvoorbeeld. Of Hal Herzogs Some we love, some we hate, some we eat

Maar niet allen in ons gedrag, maar ook in ons denken rond dieren zit een grote vleesparadox. Een voorbeeld vond ik in het editoriaal in Knack Weekend van enige tijd geleden (nov. 213), van hoofredacteur Lene Kemps. De column heette de hamvraag, en mevrouw Kemps schrijft over - jawel - de vleesparadox. Leuk, in elk geval, dat ze die aanhaalt, in een mainstream magazine. Ze heeft het over schrijvers  als John Berger, Michael Pollan en Jonathan Saffran Foer, behandelt een paar argumenten, zegt dat ze "een tikje jaloers is op de morele discipline van en helderheid van een vegetariër"... Kortom, ze geeft blijk van een zekere belezenheid, capaciteit tot helder denken, moreel besef, enzovoort. Maar dan - en hier is de paradox - eindigt ze, zoals zoveel mensen doen, met een of andere pijnlijk lege platitude. "Haar boerenverstand" vertelt haar namelijk dat "dieren er zijn om opgegeten te worden, om eieren of melk te leveren."

Ik ga zelfs geen poging doen om te duiden hoe onzinnig, arbitrair en ongegrond een dergelijk non-argument wel is. Feit is dat paradoxaal genoeg schrandere mensen plots de grootste onzin uitkramen wanneer het gaat om het rechtvaardigen van dieren eten. 

Nadat bij mij begon te dagen dat ik eigenlijk vegetariër moest zijn, had ik nog tien jaar nodig om dat idee in de praktijk om te zetten. Ik had het moeilijk, omdat ik graag vlees at. Ik begrijp dus dat zo'n transitie niet voor iedereen evident is, dat we verknocht zijn aan onze biefstuk of kotelet. Ik begrijp dat mensen niet meteen veranderen, en ik verwacht het ook niet (al zou ik het leuk vinden als ze sneller waren dan ik). Maar als we tenminste, wanneer we nadenken en argumenteren over al dan niet vlees eten, onze eigen bullshit detector iets scherper zouden kunnen afstellen, 't zou al heel wat zijn.

vrijdag 4 april 2014

Niets is zo onduurzaam als goedkoop

Dit stuk verscheen in De Standaard Avond van 3 april 2014

Vorige zomer, ergens in een vreselijk lelijk shoppingcentrum in Washington DC, bevond ik me in de kledingzaak Forever 21. Ik stond er verveeld wat artikels op mijn smartphone te lezen, terwijl een vriendin van me genoot van haar koopervaring: samen met vele anderen schuimde ze de kledingrekken af, keer op keer verbaasd over de goedkope prijskaartjes. Ondertussen schalde boven onze hoofden de juiste muziek en liepen hippe verkoopsters vriendelijk en behulpzaam te wezen.

Het fenomeen van spotgoedkope en toch trendy kledij bestaat ook bij ons. Naast H&M is het nu nog opzichtiger aanwezig, zo stond vandaag te lezen in deze krant, in de gedaante van de Ierse kledingketen Primark. Voorlopig enkel nog in Luik, maar blijkbaar zijn er succesvolle Facebookgroepen opgericht door jongeren die de winkel ook in andere steden willen zien. Van een hype gesproken.

De vraag waar die goedkope topjes en broeken vandaan komen, en in welke omstandigheden ze geproduceerd worden ligt - tenminste, voor de kritische consument of journalist - voor de hand. Zelfs van veel dure merkkledij is het al twijfelachtig of de productieomstandigheden duurzaam en rechtvaardig zijn. Van een T-shirt van 2 euro weten we bijna zeker dat dat niet het geval kan zijn. Het drama van de ingestorte kledingfabriek in Bangladesh (waar Primark afnemer van is) zit nog vers in ons geheugen. Een medewerkster van een of andere schonekleren-NGO hamert in het artikel op de arbeidsomstandigheden, maar voegt eraan toe dat het kopen van dergelijke producten mensen uit armere landen kan helpen in hun levensonderhoud. Het is wellicht een argument dat al te snel door shoppende jongeren als excuus wordt gehanteerd: als ik ze niet koop, help ik ook niemand.

Maar dat is zelfs niet de enige manier waarop dergelijke goedkope spullen sociaal rechtvaardig lijken. Iedereen heeft het recht op leuke dingen, en als die zo gefabriceerd kunnen worden dat ze kunnen passen binnen ieders budget, wie kan daar iets tegen hebben?

Het probleem is dat niets zo onduurzaam is als goedkoop. De kans bestaat dat u in de IKEA al spullen gekocht heeft omdat ze zo goedkoop zijn. U had ze misschien niet nodig, u was niet zeker of ze pasten bij uw interieur, of de oude waren eigenlijk nog niet echt versleten, maar ach, voor die paar euro’s kan je ze niet laten liggen. Onderzoek zou aantonen dat 75% van de aankopen in discountkledingzaken als Primark ter plekke gebeurt binnen de drie seconden. Zorgwekkend, lijkt me dat. Natuurlijk kunnen vele producten een pak duurzamer worden geproduceerd dan nu gebeurt, maar geproduceerd moeten ze worden. Een absurd resultaat is dat meer en meer mensen ondertussen extra opslagruimte moeten huren voor de spullen die ze thuis niet meer kwijt kunnen.

Goedkoop klinkt rechtvaardig, maar is vijand nummer één van onze planeet. Iemand die een oplossing heeft voor dit dilemma, mag zich melden. Een verschuiving van de belastingen van arbeid naar consumptie en milieu is een mogelijkheid. Maar ergens blijf ik denken dat de eigenlijke oplossing dichter bij onszelf moet liggen. Misschien in een andere invulling van wat “genoeg” is.

donderdag 3 april 2014

Door de strot

Dit stuk verscheen in De Standaard Avond van 3 april 2014

De Vlaamse varkenssector staat al jarenlang onder grote economische druk. De problemen werden nog aangescherpt doordat Rusland onlangs de markt sloot voor Europees varkensvlees, zogezegd uit vrees voor varkenspest. De oplossing die de sector bedenkt is ingenieus: massaal varkensvlees promoten.

Zowel uit de hoek van de gezondheid, het milieu als het dierenwelzijn klinkt de boodschap dat we minder vlees moeten eten elk jaar luider en dapperder. Vleesproductie en -consumptie worden beschouwd als een van de grootste milieuproblemen van deze tijd. Wat gaan we doen? Aan de hand van reclame de consumptie opdrijven en het varkensvlees bij wijze van spreken door de strot van elke Vlaming duwen.

Dat de sector, die moet instaan voor zijn eigen voortbestaan, zo denkt en handelt hoeft verwondering noch verontwaardiging op te wekken. Maar daarnaast zijn er andere actoren in het spel. De sector wordt vertegenwoordigd door VLAM, het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing. De campagnemiddelen van VLAM komen grotendeels van de landbouwbedrijven zelf, maar VLAM wordt voor zijn algemene werking gesubsidieerd door de Vlaamse overheid, en ontvangt voor bepaalde projecten ook heel wat Europese subsidies. Publiek geld dus.

Wat VLAM graag verder vermarkt ziet, wordt nutritioneel gepromoot door NICE (Nutrition Information Center), een onderdeel van VLAM. Je kan er donder op zeggen dat in de voedingsinfo die NICE naar zowel leken als gezondheidsprofessionals verspreidt, varkensvlees de nodige aandacht zal krijgen.

Dan zijn er de media. Op de reclame - pardon, “boodschappen van algemeen nut” - die VLAM op de VRT zal voeren, krijgt ze sowieso korting. Er komen publireportages - u weet wel, die betaalde, half inhoudelijke ondingen -  in verschillende kranten (waaronder ook deze), in bladen als Libelle (om de consumptie op te krikken bij de vrouwelijke, minder vlees etende consument), en er is natuurlijk een samenwerking met kookprogramma’s. In 2013 betaalde VLAM aan de VRT bijna 300.000 euro voor haar partnership met Dagelijkse Kost. Mag ik Jeroen Meus vriendelijk voorstellen om tussen de soep en de patatten even stil te staan bij de gedachte dat zijn impact op de eetgewoonten van de Vlaming wellicht groter is dan die van alle gezondheidsorganisaties samen?

Ik begrijp natuurlijk het ijzeren dictaat van de economische wetmatigheden - ook voor de media zijn het harde tijden en advertentie-inkomsten zijn welgekomener dan ooit. Het jammere is dat we in dagen van crisis als maatschappij in de eerste plaats onze toevlucht nemen tot beproefde modellen en kortetermijndenken. Vooral omdat het gaat om problemen - overproductie, oversubsidiëring, overintensifiëring - die systemisch van aard zijn en eigen zijn aan het landbouwmodel dat we zelf ontwikkeld hebben.

Deze week nog stond in alle media dat we niet voldoende voorbereid zijn op de gevolgen van de klimaatverandering. We vragen, om deze en andere redenen, bescheiden en voorzichtig, om vlees te matigen, maar prijzen het tegelijkertijd als maatschappij gezamenlijk aan. Hoe kan je verwachten van burgers dat ze op de gewenste manier handelen als je hen continu tegenstrijdige boodschappen geeft? Hoe kan je verwachten dat we naar meer duurzaamheid evolueren als we voortdurend paniekvoetbal spelen en de economie vooralsnog altijd het laatste woord geven?

Kunnen we een klein beetje creatiever zijn alstublieft?

dinsdag 1 april 2014

De zin van de zoo

Dit stuk verscheen in De Standaard Avond van 31 maart

In onze land raken de belangrijker kwesties wel vaker ondergesneeuwd door communautaire bekommernissen. Dat is ook het geval met het koppel panda’s dat gisteren bezocht werd door het Chinese first couple.

Over die dieren is de jongste tijd al heel wat inkt gevloeid. In De Standaard van dit weekend mocht Eric Domb, de oprichter en zaakvoerder van Pairi Daiza die de twee bamboevreters uit China kon binnenhalen, zijn verhaal doen. De man wordt her en der afgeschilderd als een pester die de subsidies van de Zoo van Antwerpen wil ontmantelen, en die de berenbuit binnenhaalde dankzij gelobby via Di Rupo. Het interview schetst een ander beeld. Domb wil dat de strijd eerlijk gespeeld wordt, en dat Antwerpen geen (Europese) subsidies krijgt.

Maar te midden van het communautaire debat, en ondanks het debacle rond de Deense giraf Marius, hebben we één vraag nauwelijks gehoord: wat doen die panda’s daar eigenlijk? Meer nog: we moeten ons afvragen of dierentuinen vandaag überhaupt nog bestaansrecht hebben.

De nobele doelen waarmee een zoo doorgaans schermt om dat bestaansrecht te verdedigen, zijn bekend: voornamelijk educatie en conservatie van soorten. Over beide bestaan grote twijfels. Een documentaire van David Attenborough bekijken kan je wellicht meer bijbrengen over wilde dieren dan een bezoek aan de zoo, waar je ze enkel achter tralies kan bekijken. En conservatie? Het nut van dierentuinen op dat gebied staat allesbehalve vast, en à la limite kunnen we ons afvragen of we per se alle diersoorten – sowieso sterven ze ooit allemaal uit – moeten bewaren. In elk geval niet ten koste van alles.

Als we dierentuinen willen, moeten we dieren opsluiten, en hoewel zoos hun best doen om de natuurlijke habitat van een dier zo goed mogelijk te imiteren, lukt dat zelden helemaal, en is onder meer de bewegingsvrijheid doorgaans sterk beperkt. Het ene dier is natuurlijk het andere niet, en een arend in een zoo is problematischer dan een muis – dat spreekt voor zich. En toegegeven, het leven van een dier in een dierentuin kan soms beter zijn dan dat van zijn soortgenoten in het wild.

Maar los van het dierenwelzijn moeten we ons bezinnen over wat het betekent voor ons, mensen, om dieren op te sluiten en het recht te verkopen om ernaar te gapen aan een paar honderd of duizend bezoekers per dag. Dierentuinen doen vandaag meer en meer denken aan de koloniale tentoonstellingen, waarbij mensen met een andere huidskleur werden meegebracht naar onze contreien en hier werden voorgesteld als curiosa.

Ik vrees dat Domb in mij geen bondgenoot zal vinden, maar ik ben het alvast met hem eens dat de subsidies die de Zoo van Antwerpen ontvangt, niet aan de orde zijn.