donderdag 31 mei 2012

Wereldmelkdag: melk moet NIET

Op wereldmelkdag wordt gewoontegetrouw nog eens gehamerd op het belang van het witte goedje voor ons lichaam. We kunnen er maar niet genoeg van drinken, van die godendrank! Melk moet, zo denken de meeste mensen nog altijd. Alleen jammer dat, geloof het of niet, de bewijzen voor die uitspraak zoek zijn.


Ongetwijfeld bevatten melk en afgeleide zuivelproducten een aantal nuttige voedingsstoffen, maar noodzakelijk zijn ze zeker niet. In de loop van de afgelopen decennia zijn we gaan geloven - vooral door uitstekende marketingcampagnes - dat melk en calcium synoniem zijn. Geen duidelijker voorbeeld dan wat we vinden op de site van NICE vzw: men spreekt er voorwaar over “drie glazen calcium per dag”.

De redenering die we horen is de volgende: calcium is erg belangrijk voor stevige botten; melk bevat veel calcium; dus als we gezonde botten willen, moeten we veel melk drinken. Volwassenen zouden 900 milligram calcium per dag moeten binnenkrijgen, en daarvoor dagelijks zo’n drie à vier glazen melk per dag moeten drinken (of veel zuivelproducten eten).

“Elke dag drie glazen magere of halfvolle melk en een plakje magere kaas, het màg! Nee, het moét!* (*volgens de aanbevelingen van de actieve voedingsdriehoek, het Vlaams voedingsvoorlichtingsmodel gerealiseerd door het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie”).
Dat lezen we in de Brochure Zuivel zit je als Gegoten, van het NICE (Voedingsinformatiecentrum). Het is maar een van de vele voorbeelden van hoe gezondheidsorganisaties ons willen duidelijk maken dat melk echt moet. Vele mensen zijn, dankzij eindeloze herhaling, zo overtuigd geraakt van deze boodschap, dat ze moeilijk iets anders kunnen geloven. Het enige wat we hier willen doen, is aantonen dat er ook heel wat gezagsvolle bronnen zijn die er helemaal anders over denken.
  • Over de aanbeveling om drie glazen melk per dag te drinken zegt de befaamde Harvard School of Public Health dat deze voorbijgaat aan het gebrek aan bewijs voor een link tussen zuivelconsumptie en de preventie van osteoporose. Ze gaat ook voorbij aan het mogelijk verhoogde risico op eierstokkanker en prostaatkanker dat geassocieerd wordt met zuivelproducten1.
     
  • Een recente grote meta-analyse (een studie van studies) vond geen algemeen verband tussen melkconsumptie en heupbreuk in vrouwen2.
     
  • Een andere meta-analyse besluit dat “er geen significant verband is tussen calciuminname en het risico op heupbreuk bij mannen of vrouwen.”3
     
  • En tenslotte: er bestaat zoiets als de calciumparadox: in landen waar de calciuminname het hoogst is, komen heupbreuken het meeste voor. Geen reden om te concluderen dat zuivel osteoporose veroorzaakt, maar alleszins een aanwijzing dat veel zuivel drinken op zich geen garantie biedt tegen osteoporose.4

En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Maar alvast te onthouden: dat veel zuivel consumeren je beschermt tegen botbreuken is niet onomstotelijk bewezen.

Voor sterke botten heb je veel meer nodig dan extra calcium. Meer nog, volgens sommige wetenschappers is de nadruk op calcium en zuivel in de strijd tegen osteoporose misplaatst, omdat ze teveel aandacht wegneemt van andere belangrijke factoren.

Veel meer info vind je op www.melkmoetniet.be
  • 1.www.hsph.harvard.edu/nutritionsource/what-should-you-eat/pyramid-full-story/index.html
  • 2.onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1002/jbmr.279/abstract
  • 3.www.ajcn.org/content/86/6/1780.full.pdf
  • 4.www.who.int/dietphysicalactivity/publications/trs916/en/gsfao_osteo.pdf - p 131.

zondag 20 mei 2012

Zeg me niet wat ik moet eten!

Mensen vinden het niet leuk wanneer hen gezegd wordt wat ze moeten doen. Dat gaat ook op wat voeding betreft. Overheden of organisaties moeten ons niet komen vertellen wat we wel of niet mogen eten, hoe we 't moeten klaarmaken, en hoeveel we er precies van op ons bord mogen leggen. We zullen dat allemaal zelf wel beslissen, danku!

Zo denkt het grote publiek erover. Maar vrije keuze is natuurlijk een illusie, vooral op het gebied van voedingskeuzes. Wat mensen eten wordt erg bepaald door het landbouw- en economisch stelsel van een land, door cultuur en traditie, door wat onze ouders eten of aten, en vooral door commerciële belangen, die ons continu bekogelen met reclame.

Ter illustratie zie je hieronder een grafiek van de website www.countinganimals.com. Hij toont het reclamebudget van verschillende grote voedingsbedrijven in de VS, vergeleken met organisaties die zich bezighouden met de belangen van dieren (linksonder). Interessant zou ook zijn om de cijfers te vergelijken met wat de overheid uitgeeft aan sensibilisering rond gezond eten.





donderdag 10 mei 2012

Belgisch witblauw: discussiëren over (wan)smaak


Of Herwig van Hove in het VRT programma Reyers Laat een punt had toen hij zei dat het Belgisch witblauw rundvlees nergens naar smaakt, kan ik niet beoordelen. Het moet ondertussen zo’n vijftien jaar geleden zijn dat ik mijn laatste biefstuk at. Wat ik wel weet is dat na een klacht van de Boerenbond tegen de VRT, Piet Vanthemsche in VOLT datzelfde vlees prompt mag komen verdedigen. Hij kon het immers niet hebben - aldus VILT - dat de VRT “de mening van Herwig Van Hove verkoopt als professionele duiding”.

Nooit gedacht dat ik het ooit zou zeggen, maar ik had voorwaar enige sympathie voor Herwig Van Hove. Niet dat hij de loftrompet afstak over vegetarisch eten, maar hij plaatste toch wel een aantal kritische kanttekeningen bij het Belgisch witblauw. Maar lang niet genoeg. Moet ik nu ook een klacht indienen bij de VRT wegens onvolledige informatie?
Piet Vanthemsche en chef Guy Vancauteren die een potje discussiëren over de vraag of er nu wel of geen smaak zit in Belgisch witblauw: voor een vegetariër is dat een vrij ongerijmd tafereel. Vooral in dit geval, omdat Belgisch witblauw eigenlijk best wel een wansmakelijk gegeven is op zich. Witblauw runderen lijden onder hun eigen onnatuurlijke lichaam. Door de enorme afmetingen van de dieren worden vitale organen niet optimaal ontwikkeld, met als resultaat mogelijke hart- en ademhalingsproblemen. Onze nationale trots lijdt ook aan gewrichts- en botproblemen en heeft moeite met lopen. De dieren zijn ook zeer kwetsbaar voor bepaalde vitaminetekorten, die acuut hartfalen tot gevolg kunnen hebben. Dat het verplichte gebruik van keizersneden hun economische levensduur verkort (zeven keizersneden blijkt zowat het maximum) is niet echt een probleem, want deze dieren worden meestal toch geslacht na twee of drie keer kalveren.

Zweden heeft er alles aan gedaan om de Belgische witblauw runderen te weren om dierenwelzijnsredenen. Een dierenbeschermingswet uit 1988 verbiedt immers om landbouwdieren “voort te brengen met een erfelijk gebrek, met een defect of met een andere eigenschap waardoor de dieren nodeloos lijden of waardoor hun natuurlijk gedrag negatief wordt beïnvloed.”
Bij toetreding tot de Europese Unie kon het land jammer genoeg niet anders dan de Belgische trots het land binnenlaten. (Lees overigens even welke horror zich op TV afspeelde toen men ter promotie live de geboorte van een witblauw kalf uitzond)
Zie ook een vorige post

woensdag 9 mei 2012

Lekker niet met uitsterven bedreigd!

De Universiteit Antwerpen kondigde aan dat ze stopt met het serveren van tonijn. Dergelijke stapjes, ook al zijn het hele kleintjes, zijn een klein applaus waard want ze zijn zeldzaam. Proficiat dus aan de Universiteit Antwerpen.

Ondertussen achtte FEVIA, de federatie van de Vlaamse voedingsindustrie, het nodig om erop te wijzen dat niet alle tonijn met uitsterven bedreigd is en dat met name "tonijnsalade wordt gemaakt van niet-bedreigde soorten". De miliebewuste consument wordt dus gegarandeerd "dat hij of zij met een gerust hart een broodje tonijnsalade kan blijven eten."

Ik kan dat allemaal snappen binnen de context van hoe we vandaag over dieren eten denken, maar als je zo'n zaken beschouwt "vanuit vegetarisch standpunt", om het zo maar eens te zeggen, dan klinkt het allemaal vrij absurd. Wat onze omgang met dieren betreft kan je (vereenvoudigd) het volgende zeggen: we geven om huisdieren (honden, katten...) en om dieren die om een of andere manier leuk, interessant, spectaculair... zijn, zolang er niet teveel van zijn. Alle dieren (met mogelijke uitzondering van huisdieren) houden op interessant te zijn voor ons zodra er teveel van zijn. Wanneer ze met uitsterven bedreigd beginnen te worden, ontwikkelen we soms de neiging om ze te gaan beschermen (als we ze eten gebeurt dat met grote tegenzin). Met andere woorden, behalve bij katten en honden (en andere huisdieren) zijn enkel groepen van dieren of *soorten* "beschermenswaard", individuen niet of nauwelijks. De soort mag niet verdwijnen (daar zijn goede redenen voor), maar als er tienduizenden individuen verdwijnen van een niet bedreigde soort is er weinig aan de hand.

Vroeger mochten we geen tonijn eten omdat er bij de tonijnvangst ook dolfijnen (zeldzamere, interessante dieren) werden gevangen. Ondertussen zit de tonijn zelf in de knoei en wordt aangeraden om ook hem te sparen en niet bedreigde soorten te eten. Tot die dan weer bedreigd zijn. En zo gaat het voort.

Ik vind 't logischer, eenvoudiger en ethischer om uit te gaan van het individu. We moeten ons best doen om soorten voor uitsterven te behoeden (zeker uitsterven door ons toedoen), maar dat is lang niet genoeg. Een soort is (wellicht) geen entiteit met een bewustzijn, een soort op zich heeft geen gevoelens. Maar een soort bestaat uit (in het beste geval) miljoenen individuen die doorgaans elk op zich kunnen voelen, pijn kunnen lijden, belangen hebben. Als we over mensen nadenken denken we ook niet in termen van de soort maar in termen van individuen. Is er een reden om dat niet bij dieren te doen?


vrijdag 4 mei 2012

Carnivoor? Geef het door!

Deze tekst verscheen in De Standaard van 23/3/2012 (onder een andere titel)

Onze voedingsgewoonten zijn dramatisch. Een onderzoek uitgevoerd in opdracht van VLAM toont aan dat de Belg langs geen kanten voldoende groenten en fruit eet, en vooral een vleeseter blijft. Ook nog vorige week werd het Nationaal Voedings- en Gezondheisplan van minister Onkelinx erg negatief geëvalueerd. Maar een heel land gezonder doen eten, hoe doe je dat?

Voor een efficiënte aanpak heb je voldoende middelen en een gestructureerde aanpak nodig. Een overheid heeft het echter sowieso moeilijk om te helpen bij gedragsverandering, aangezien wij mensen bijna van nature allergisch zijn aan betutteling van bovenaf. Zeker rond vleesconsumptie is de heersende attitude: “raak niet aan mijn biefstuk”. Zelfs wanneer initiatieven niet verder gaan dan sensibilisering, komt een defensieve houding al gauw naar boven en speelt het libertaire argument. We maken zelf wel uit wat we wel en niet eten, zo zeggen we, gemakshalve voorbijgaand aan het feit dat onze keuze enorm wordt beïnvloed door onder meer reclame en de eetgewoonten van onze ouders of onze cultuur. Komt daar nog bij dat veel gezondheidsinformatie onderling tegenstrijdig is, en het resultaat is dat velen van ons gewoon “foert” zeggen, en een en ander snel afdoen als gezondheidsfascisme en regelneverij.

Dat zet allemaal geen zoden aan de dijk. Obesitas en diabetes blijven toenemen, en kanker en hart- en vaatziekten blijven behoren tot de voornaamste doodsoorzaken. De kosten voor de gezondheidszorg swingen de pan uit en de vraag rijst hoe we dat allemaal betaalbaar zullen houden. Aandacht voor preventie is dus meer dan ooit nodig, en - zeker gezien massale reclame voor ongezonde producten - mogen we veronderstellen dat de consument het niet op zijn eentje zal rooien. Wat de rol van de overheid betreft moeten we dus een aanvaardbare tussenpositie vinden tussen niets doen enerzijds en opgestoken vingertjes en regels anderzijds.

Een mooie tussenweg tussen laissez-faire en opdringen, is het sturen van de consumptie door een vriendelijk duwtje in de goede richting - een aanpak die bekend staat als “nudging” of “choice editing”.
Zo’n duwtje of nudge kan gebeuren door de verantwoorde keuzes meer in het oog te laten springen, er iets extra bij te geven, ze in prijs te verlagen, sensibiliserende boodschappen te gebruiken op het juiste moment, enzovoort. Meer algemeen: zorgen dat het makkelijker wordt om het wenselijke gedrag te stellen - groenten en fruit eten bijvoorbeeld - en moeilijker om het te mijden gedrag te stellen - dit alles zonder verplichtingen of ontnemen van vrije keuze.

Het sturen van de zogenaamde “standaardoptie” is een interessante manier om de vraag subtiel te sturen. De standaard of default optie is wat de consument krijgt indien hij of zij géén actie onderneemt. Een bekend voorbeeld is orgaandonatie. Wanneer de standaardoptie is dat organen na iemands dood gebruikt mogen worden, blijken er veel meer organen beschikbaar dan wanneer iemand administratieve stappen moet ondernemen om dat mogelijk te maken. Het grootste effect dat meespeelt is wellicht de moeite die men moet doen voor verandering, maar daarnaast is het ook een logische reflex om te denken dat de standaardoptie wel niet voor niets de standaardoptie zal zijn.

Wat onze maaltijden betreft is de standaardwaarde momenteel uiteraard: mét (veel) vlees en een beperkt aantal groenten. Wie op het werk of op school niet expliciet kiest, krijgt vanzelf een niet-vegetarische dagschotel geserveerd. Dat betekent dat veel mensen in hun voedingskeuze gestuurd worden naar een bijna dagelijkse overconsumptie van vlees, wat noch een gezonde, noch een duurzame gang van zaken is.

In de praktijk kan dit bijvoorbeeld betekenen dat op scholen het standaardaanbod op bepaalde dagen vegetarisch is (zoals op donderdag in Gent), evenals de dagschotel in cafetaria’s en restaurants, of dat tijdens voorziene recepties of studiedagen de broodjes of maaltijden standaard vegetarisch zijn. Ook op het vliegtuig zou je, als je niets aangeeft, een vegetarische maaltijd kunnen krijgen. Of zoals de Nederlandse economiste Henriëtte Prast zegt: “Carnivoor? Geef het door!”

Als we echt iets willen doen aan de bestrijding van welvaartsziekten (om nog maar te zwijgen van het duurzaamheidsaspect van voeding), moeten we gezond eten zo makkelijk mogelijk maken. Of we kunnen over vijf jaar opnieuw collectief verontwaardigd zijn over onze rampzalige eetgewoonten en vaststellen dat er bitter weinig veranderd is, alle goedbedoelde initiatieven en campagnes ten spijt.









woensdag 2 mei 2012

Brief aan de omnivore medemens

Vegetariërs zijn ook maar mensen, en mensen willen begrijpen en begrepen worden. Vandaar deze poging om een en ander uitgelegd te krijgen aan niet-vegetariërs.
Liefste omnivore medemens,
Wij vegetariërs (eigenlijk moet ik voor mezelf spreken, maar goed) kunnen u al eens op de zenuwen werken. We storen u met onze preken, we eten niet altijd op wat u ons voorschotelt, we doen lastig als we samen op restaurant willen, we vertragen alles doordat we verpakkingen willen nalezen, we reageren soms sociaal onaangepast en we doen u af en toe misschien zelfs schuldig voelen.
Weet, beste medemens, dat het vegetariër-zijn in een carnivore wereld ons niet altijd even makkelijk valt en sta me toe u een kleine inkijk te geven in het hoofd van tenminste één veggie.

Jawel, het vegetarische leven is niet altijd simpel. O nee, ik heb het niet over die duizenden keren dat we dezelfde vragen moeten beantwoorden (wat eet jij eigenlijk? waar haal je je eiwitten vandaan?), over dat lezen van die verpakkingen, of over restaurants die niet weten wat we eten en wat we niet eten. Nee, dat soort dingen reken ik eigenlijk tot de geneugten van het vegetariër zijn, bij wijze van spreken.
Ik heb het over iets helemaal anders. Iets dat ik niet zo makkelijk kan uitdrukken. Het gaat over een combinatie van machteloosheid en onbegrip. Machteloosheid in het aanzicht van zoveel dierenleed, en onbegrip dat het maar niet opgelost geraakt. Dat is niet het voorrecht van vegetariërs, zo zal u zeggen, en dat zal wel kloppen, maar toch, het is anders op dit gebied dan op andere. Voor het probleem van het eindeloze dierenleed in de wereld, bestaat namelijk een oplossing die eigenlijk heel haalbaar is, en dat is gewoon dat we allemaal lekker vegetarisch gaan eten. En ik weet, als je dat bekijkt op globale schaal, op het niveau van de hele mensheid, dan is dat (teminste op korte termijn) niet realistisch. Maar als je het bekijkt op individueel niveau, dan weet je dat het voor iedereen mogelijk is om mee te doen. Maar je weet eveneens dat het uiteindelijk niet gebeurt, dat mensen niet meedoen, dat ze verder blijven vlees consumeren, en je vraagt je af waarom. Je stelt soms jezelf in vraag en vraagt je af of je dingen ziet die er niet zijn, of je hypergevoelig of oversentimenteel bent. Je denkt bij momenten dat je misschien een alien bent, of gewoon gek. Je denkt dat het allemaal wel niet zo erg kan zijn als het eruit ziet, dat er toch een of ander rechtvaardig systeem moet achter zitten, karma misschien. Maar dat overtuigt je niet, en je gaat maar weer eens na wat je precies zo vreselijk vindt en of het wel zo vreselijk is. En je komt steeds opnieuw tot dezelfde conclusie: ja, wat gebeurt is afschuwelijk. Zestig miljard dieren per jaar die we nauwelijks een waardig leven gunnen omdat we de smaak van hun vlees lekker vinden. Meer of minder dan dat is er niet aan de hand. En je vraagt je af waarom het niet stopt en als het niet stopt wat je ertegen moet of kan doen. Je doet iets maar het is nooit genoeg en je ziet wel verandering maar die gaat zo traag. En bovenal: aan de mensen die het probleem en de oplossing niet zien krijg je het met geen stokken uitgelegd. Je kan geen foto’s of video’s tonen want die willen ze niet zien. Of het zijn allemaal uitzonderingen en eigenlijk is het lang zo erg niet. En van jou wordt dan gezegd dat je gewoon een nieuwe religie aanhangt of nu eenmaal een andere ideologische keuze dan zij gemaakt. En je probeert uit te leggen dat het toch niet zo maar een kwestie van smaak of voorkeur is. Want ondertussen ben je er zelf van overtuigd dat het niet alleen empathisch is maar ook heel rationeel is hoe je denkt: dat je geen dieren mishandelt en doodt (of laat doden) omdat je ze lekker vindt. Makkelijk vermijdbaar leed kunnen we toch maar beter vermijden? Wat is daar dan zo moeilijk aan, zo niet te begrijpen? Maar begrijpen doet men het niet, dus je wringt je in allerlei bochten om het toch maar uitgelegd te krijgen. Je doet een beroep op de moraalfilosofie, op argumenten van milieu en gezondheid, je kookt, je laat mensen proeven, en je hoopt dat er druppel per druppel iets binnensijpelt.
En je ziet dat bij bijna iedereen alles wat nodig is om het wél te begrijpen en te voelen, eigenlijk al aanwezig is. Je ziet dat de meesten mensen hun poes of hond graag zien, je ziet dat ze dierenmishandeling eigenlijk niet kunnen hebben. Ze zijn zelfs niet langer overtuigd dat dieren eten nodig is om gezond te zijn. En toch krijg je allemaal redenen te horen waarom wat jij zegt toch niet helemaal klopt, of niet consequent is, of niet haalbaar, of naïef. En ondertussen moet je nog opletten dat je niet hautain overkomt als iemand die denkt dat ie beter is dan de rest, een moraalridder wiens vingertje niet stilstaat. Je moet opletten dat je de ander niet veroordeelt om hoe hij eet - en dat is zo moeilijk want soms voelt ie zich al veroordeeld gewoon doordat je er bent. En je moet opletten dat je niet overkomt als iemand die haat want eigenlijk haat je niet - ook al word je soms een woest, en onverdraagzaam, en veroordelend (laat ons eerlijk zijn) - je kan het alleen niet begrijpen, terwijl je juist zo hard probeert te begrijpen.

Gelukkig is het niet allemaal kommer en kwel in ons hoofd, en zijn er een paar dingen die ‘t ietsje makkelijker maken. We genieten, in tegenstelling tot wat u mag denken, wel degelijk van het leven en van eten - velen van ons hebben de geneugten van koken en eten pas ontdekt nadat we vlees en vis aan de kant gezet hebben. En er is wel degelijk een evolutie merkbaar in onze omgeving, en die gaat altijd maar sneller. In onze buurt en overal ter wereld zijn er mensen die er hetzelfde over denken. Als we gek zijn, zijn we niet alleen. We ijveren samen voor Iets Helemaal Anders.
Wat mij persoonlijk nog het meeste helpt, is de realisatie, steeds opnieuw, dat ik zelf lange tijd dieren heb gegeten, ook terwijl ik al vond dat ik er eigenlijk mee moest ophouden (tien jaar, duurde die periode). Ik ben daar, vreemd genoeg, dankbaar voor. En ik ben ook dankbaar voor het feit dat ik kan voelen, hoe vervelend dat soms ook is, en dat ik kwetsbaar ben.
Dit, liefste omnivore medemens, is, erg vereenvoudigd, wat er zich dagelijks afspeelt in het hoofd van ondergetekende vegetariër. Misschien kunnen we zo dingen vinden die ons binden, en ophouden te spreken in termen van ik versus jij. En kunnen we zo elkaar beter begrijpen.
En to understand, is to love, zeggen ze.

Dank voor 't lezen
Tobias
PS: dierenleed is niet het enige argument om minder of geen vlees te eten. Dus scheer sowieso niet alle vegetariërs over deze kam, er zijn heel veel verschillen tussen ons.