woensdag 21 december 2011

Tussen de boeren

Vandaag zat ik op de eerste editie van een Gents overleg van de land- en tuinbouwers. De regio Gent telt er zo'n 180 (we waren met een stuk of 15) die samen 30% van het Gents grondgebied gebruiken, zo wist Gents schepen van economie Mathias Declerq te vertellen.
NGO's die iets met de thematiek te maken hadden waren ook uitgenodigd, dus ik was erop afgekomen in de veronderstelling dat daar nog wel andere vertegenwoordigers van vzws zouden zitten. Tijdens het voorstellingsrondje bleek echter dat ik een vreemde eend in de bijt was, tussen bijna allemaal landbouwers, waarvan het grootste deel melkveehouders.

Ik zat er niet helemaal op mijn plaats, en zal er de volgende keer niet meer aan deelnemen, maar het was zo ongeveer de eerste keer dat ik tussen een groep landbouwers zat, en in die zin was het best interessant. Die melkveehouders leken me sympathiek genoeg, sommigen hadden duidelijk bepaalde problemen die dringend moesten opgelost worden, enzovoort. Met andere woorden, ik zag daar even de mensen die zich bezighouden met hetgeen we met EVA willen verminderen of in de verre toekomst zelfs helemaal niet willen zien: dierlijke productie. En ik dacht: jammer toch dat als je voor iets wil zijn, je tegelijkertijd vaak tegen iets anders, of tegen andere mensen moet zijn. Jammer dat wanneer je voor meer duurzame, gezonde en vooral diervriendelijke voeding bent, je terzelfder tijd tegen die mensen hun stiel, hun product, hun manier van werken bent. De bedoeling van EVA's nieuwe website melkmoetniet.be, bijvoorbeeld, is dat mensen meer alternatieven voor koemelk gaan gebruiken en dus minder koemelk consumeren. Dat gaat natuurlijk diametraal in tegen de belangen van de mensen met wie ik daar aan tafel zat.

Ik zie de problemen met dierlijke productie als geen ander, maar ik ga ervan uit dat ook de producenten van ons vlees of onze melk over het algemeen niet onduurzaam of dieronvriendelijk *willen* zijn. Ik ga uit van het idee dat het systeem van de vleesproductie (inclusief zuivelproductie, zelfs voedingsproductie in het algemeen) helemaal is misgelopen en dat de vleesconsumptie uit de hand is gelopen, zonder dat dat allemaal de fout is van specifieke personen. Feit is gewoon dat we wat mij betreft van dat systeem afmoeten, en dat is alles.

Ik geloof ook dat die tijd zal komen, en dat de productie en consumptie van vlees en zuivel op een bepaald moment sterk zal beginnen te verminderen. En graag wil ik proberen bijdragen aan een manier waarop deze transitie op een zachte manier kan gebeuren. Efficiënt en snel genoeg, maar voor iedereen, inclusief de landbouwers dus, leefbaar en menselijk. Vegetarisme gaat voor een groot stuk over pacifisme, over mededogen, over de dingen mooier maken en minder schade toebrengen. Dat moet wat mij betreft slaan op alles en iedereen.

dinsdag 20 december 2011

Een veggie gevoel voor humor

"If I can't dance, I don't want your revolution"

Het zijn de gevleugelde woorden van activiste, feministe, anarchiste Emma Goldman. Ze sprak ze tegen een collega-revolutionair, die haar gezegd had dat het niet ok was voor iemand als zij om zo te dansen.

Persoonlijk heb ik niet zoveel met dansen, maar ik voel veel voor het sentiment achter bovenstaand citaat. Ik kan het best opnieuw zeggen met Goldmans eigen woorden: "I did not believe that a Cause which stood for a beautiful ideal (...) should demand the denial of life and joy."

Dat geldt volgens mij voor alle sociale kwesties. Gelijk hoe erg en vreselijk de zaken zijn waartegen gevochten wordt ook zijn: humor, lachen, genot, vreugde moeten denk ik *altijd* deel uitmaken van de aanpak, moeten eigen zijn aan de mensen die verandering willen. Eigenlijk is het kinderlijk eenvoudig: wie grote verandering wil, moet grote groepen van mensen bereiken en voor zijn kar spannen. Daar zijn verschillende manieren voor, maar mij lijkt het evident dat we dat best kunnen doen door het gedrag, de kwestie, het product... dat we willen "verkopen" zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Geen geklaag en gezaag dus, maar de voordelen tonen, tonen dat het leuk is om erbij te zijn, om mee te doen.
In het geval van vegetarisch eten: aantonen dat het lekker is, dat het in is, dat het gezond is, dat het leuk is, dat het uitdagend is... Wie wil dat mensen het allemaal meteen om de "juiste redenen" doen en dat iedereen zich bewust is van het dierenleed achter vlees enzovoort, maak je geen zorgen: die reflectie volgt wel, en hoeft daar niet noodzakelijk aan vooraf te komen.

Aanleiding voor het schrijven van dit stukje waren een aantal Facebook-commentaren op deze foto van een kreeft gemaakt van wortels. Voor een aantal mensen doet zelfs deze afbeelding teveel denken aan een dood dier.

Alle respect natuurlijk voor de frustratie, boosheid, ergernissen enz. die vele mensen hebben rond alles wat met vlees en het eten van dode dieren te maken heeft. Maar zou het niet goed zijn als we heel af en toe eens de negativiteit kunnen vergeten en gewoon even kunnen lachen? Een beweging - de vegetarische of andere - die vooral sakkert en wijst op ellende wil toch niemand?

De bottom line is uiteindelijk impact: wie krijg je mee met je issue, wie kiest er je kant? Je hebt meer kans als mensen je leuk vinden :-)

zondag 11 december 2011

Onze visie op voeding

Zodra we iets zeggen of posten (op Facebook of elders) over een of ander voedingsproduct, of zodra we ergens een recept zetten, krijgen we bij EVA vanalles te horen: dat gerecht of product is niet ok want (niet lokaal, niet gezond, niet lekker, niet dit, niet dat...). Het is alvast leuk dat voeding meer en meer mensen raakt, in die mate dat ze op zoek zijn naar de ideale voedingsproducten en zich kritisch opstellen naar alle facetten van voeding toe. Bij EVA hanteren wij een bepaalde visie op voeding, en om niet altijd hetzelfde te moeten herhalen, hebben we die even uitgeschreven. Het is een "work in progress." De tekst geeft een beetje weer hoe we op dit moment denken, maar dat kan veranderen. En alle input is welkom. Dus hier gaan we.

Voeding is complex. Je kan de kwaliteit van een maaltijd beoordelen op tal van verschillende criteria. Een chef kok zal vooral naar smaak kijken. Een non-profitorganisatie met een maatschappelijk doel, bekijkt andere criteria. Zo kunnen maaltijden, producten of voedingspatronen beter of minder goed scoren op het gebied van onder meer:

- milieuvriendelijkheid (en daarbinnen kan je nog kijken naar bvb CO2-voetafdruk, watervoetafdruk, enzovoort): is het product duurzaam geproduceerd? Is het seizoensgebonden, van lokale herkomst, biologisch...?
- fair trade: werd het product gemaakt en vermarkt met respect voor mensen?
- democratisch aspect: is het betaalbaar?
- gezondheidsaspect: is het product gezond, of tenminste niet al te ongezond?
- diervriendelijkheid: werden er dieren voor gedood of gebruikt? zo ja, werd het dierenwelzijn gerespecteerd?

Het ideale product of gerecht voldoet uiteraard aan alle mogelijke voorwaarden, maar... dat is dan natuurlijk ook maar een (voorlopig nog) zeldzaam ideaal. Soms kunnen verschillende criteria zelfs met elkaar conflicteren. Een milieuvriendelijk product is soms bijvoorbeeld niet diervriendelijk of omgekeerd.

Vandaar dat verschillende organisaties hun eigen prioriteiten hebben. Voor een organisatie als Oxfam is fair trade de "core business", en dus de prioriteit waarop zij een product afrekenen. Voor een organisatie als Velt is dat milieuvriendelijkheid. Voor gezondheidsorganisaties geldt het gezondheidsaspect als prioriteit.

Voor EVA is de belangrijkste vraag: is het product vegetarisch, of nog beter: veganistisch? Hoe minder dierlijke ingrediënten het bevat, hoe beter. EVA gelooft dat dit criterium gemiddeld gezien de grootste algemene positieve impact heeft op het welzijn van mens, dier en planeet. We beseffen dat dit voor discussie vatbaar is en niet absoluut is. Maar dit is ons uitgangspunt.

Dat EVA het vegetarische aspect als prioriteit neemt, wil zeggen dat EVA in de regel nooit een niet-vegetarisch product zal verkiezen boven een vegetarisch, ook al mag blijken dat het niet-vegetarische beter scoort op een of ander gebied (gezondheid, milieuvriendelijkheid, fair trade). De bottom line is dat de enige producten die door ons a priori worden uitgesloten, niet-vegetarische producten zijn. Veganistische producten worden verkozen boven vegetarische producten (als we een marge laten voor lacto-ovo-vegetarische producten, dan is dat vooral omdat het aanbod van 100% plantaardige producten niet altijd voldoende groot is).

Als we een tweede belangrijkste criterium moeten noemen dan is dat voor ons: smaak. Of het product/gerecht lekker is of niet, is van het grootste belang voor de afname ervan. Als we mensen willen enthousiasmeren voor een bepaald vegetarisch product of gerecht, dan moet het in de eerste plaats lekker zijn. EVA wil bovendien niet constant met “vegetarisch” naar buiten komen als een concept dat ethisch zeer zwaar is. Vegetarisch eten kampt nog altijd met vooroordelen omtrent smaak, variatie en creativiteit, en de beste manier om die te doorbreken is volgens ons... verleidelijk veggie zijn.

EVA kan om die reden in sommige omstandigheden “lekker” boven gezond en milieuvriendelijk stellen. Geef iemand een vegetarische maaltijd die wel gezond, maar niet lekker is, en in de meeste gevallen zal hij/zij ze niet opnieuw eten. Omgekeerd: een lekkere, maar nutritioneel niet volwaardige vegetarische maaltijd zal (onder de meeste omnivoren) wél het imago van vegetarische voeding ten goede komen. Dus ja, EVA kan bij momenten een veggieburger met frieten verkiezen boven een oergezond slaatje, wanneer het gaat om het bereiken van een breed publiek. Een heerlijke pasta die misschien niet helemaal volwaardig is omdat dit of dat nutriënt ontbreekt, kan te verkiezen zijn boven een perfect uitgekiende maaltijd als deze laatste minder aanspreekt. Of een gesuikerde cupcake boven een cupcake die zo on-zoet is dat een meerderheid hem té gezond noemt. EVA gaat ervan uit dat minder gezonde of niet 100% volwaardige maaltijden enkel een probleem zijn als ze te regelmatig (meer dan twee keer per week, pakweg) worden genuttigd.

Dit gezegd zijnde streeft EVA er altijd naar dat de maaltijden/producten die zij aanbiedt of ondersteunt, tegemoetkomen aan zoveel mogelijk criteria, en niet alleen vegetarisch (liefst veganistisch) zijn maar ook gezond, milieu- en mensvriendelijk. Aangezien dat, zoals gezegd niet altijd even haalbaar is, stelt EVA haar prioriteiten.

EVA gaat hier uit van stapsgewijze gedragsverandering. De meeste consumenten zullen hun voedingsgewoonten stap voor stap kunnen wijzigen, en niet alles ineens veranderen. EVA hoopt dat de bekommernis van de consument zich stapsgewijs uitbreidt, van een beperkt belang hechten aan één of twee factoren, naar een totale bezorgdheid die rekening houdt met zoveel mogelijk maatschappelijk relevante criteria.

Deze benadering, waarbij we niet hyperkritisch zijn ten opzichte van de producten die we ondersteunen, en duidelijke prioriteiten stellen, heeft volgende voordelen:

1. de consument wordt aangemoedigd. Hij of zij voelt zich niet overladen met verantwoordelijkheden die opgelegd worden zonder dat hij of zij er een eigen idee over kan of mag vormen aangezien de normen ‘vastliggen’. Wie het allemaal veel te moeilijk, te zwaar en te ingewikkeld vindt, houdt er in veel gevallen op voorhand mee op…
2. het is goed voor de uitbreiding van het marktaanbod. Wat vegetarische producten betreft is al te kieskeurig zijn een luxe die we ons nog niet kunnen permitteren. Aangezien een van de grootste drempels juist de vrees voor het ontbreken van goede producten is, is het belangrijk niet überstrikt te zijn bij de beoordeling van het aanbod.
3. de producent wordt aangemoedigd om goede vegetarische producten op de markt te brengen. De eisen zijn niet onhaalbaar.

Dit is de weg die we voorlopig bewandelen. Andere organisaties, of individuen, bewandelen een andere weg. Maar wellicht heeft iedereen die op een of andere manier met de waarden van voeding bezig is, hetzelfde doel: zorgen dat alle mensen lekker en voldoende kunnen eten van gezonde producten die geproduceerd werden in zo optimaal mogelijke omstandigheden voor alle betrokkenen (weze het de planeet of iedereen die ze bewoont).

donderdag 1 december 2011

Afbouw, groei en export

Afgelopen dagen verschenen twee berichten over de toekomst van de veeteelt. Eén bericht ging over Nederland, het andere over Vlaanderen. Dat over Nederland had als titel "Nederland wil geen ongebreidelde groei van veebedrijven". Dat over Vlaanderen klonk als "overheid gaat Vlaamse varkenssector steunen". Het zijn twee verschillende artikels, over verschillende landen, over deels verschillende situaties, en ik wil niet teveel parallellen trekken, maar toch. Ook in Nederland viert de intensieve veeteelt hoogtij, maar tegelijkertijd beweegt er wel wat. Nederland heeft beslist dat de hele vleesproductie tegen 2020 duurzaam moet zijn. Als ze dat tenminste niet oplossen met een nog intensievere veeteelt, dan zijn we op goede weg.
In eigenland "waardeert de varkenssector de inspanningen die gedaan worden om het varkensvlees in het buitenland te promoten." (DS). De markt stagneert hier, dus we focussen op wie nog niet genoeg heeft van varkensvlees. Maar de echte interessante en relevante overheidssteun voor varkensbedrijven is steun voor afbouw. Steun om meer te exporteren naar het buitenland is wat duurzaamheid betreft korte termijndenken. Meer nog, het betekent in de eerste plaats de export van onze westerse milieu- en gezondheidsproblemen.