donderdag 22 juni 2017

Lijden is geen lachertje


Dit stuk verscheen in De Standaard van 19/6/17

Voor Herman De Dijn kunnen dieren het best beschermd worden via huidige en (vermoed ik) nieuwe wetten. Een geconstrueerde doctrine – zoals hij dat noemt – rond ‘uiterst abstracte begrippen als lijden, waardigheid of gevoel’ acht hij overbodig en hinderlijk (DS 16 juni) . Dieren rechten toekennen lijkt De Dijn al helemaal absurd te vinden, vooral omdat zij die rechten – net zoals kinderen en andere minder mondige groepen – niet zelf kunnen opeisen. Dat er andere manieren zijn om dieren adequaat te beschermen dan hen fundamentele rechten geven, wil ik nog in het midden laten. Maar De Dijn heeft zelfs problemen met de ambitie om (dieren)leed zo veel mogelijk te vermijden. We weten niet in welke mate dieren lijden, niet alle lijden is hetzelfde, noch is alle lijden negatief, klinkt het.

Het is moeilijk te begrijpen dat iemand de veroordeling van (ernstig en onvrijwillig) lijden – en de wens om het te vermijden – doctrinair kan noemen. Lijden komt voor alles. Lijden is een universele subjectieve ervaring voor alle welzijnsgevoelige wezens. Elk dier, menselijk of niet, wil zo weinig mogelijk lijden (per definitie, zeg maar). Onze afkeer van lijden is niet iets dat we geleerd hebben – in tegenstelling tot cultuur, religie of eender welke ideologie of doctrine – maar komt voort uit wie we zijn. Als morele wezens kunnen we niet anders dan optreden tegen ernstig leed, vooral als we dat leed kunnen vermijden.

Pijn is pijn

De Dijn lijkt te vrezen dat, zodra we gevoelens, rechten of waardigheid van dieren erkennen, het hek van de dam is. Het is een klassiek slippery slope-argument, dat in de context van dieren vooral gehanteerd wordt door belangengroepen die het gebruik van dieren in stand willen houden. We zouden geen vlieg of mug meer mogen doden, vreest De Dijn (hij heeft het nog net niet over levensbedreigende virussen en bacteriƫn). En als we helemaal consistent willen doorzetten in onze wens om lijden te minimaliseren, zo vraagt hij, moeten we dan ook niet iets doen aan het leed van dieren in de natuur? Voor wie daar met een open geest wil over nadenken is de vraag niet zo absurd als De Dijn ze wil doen uitschijnen. Want de constatering klopt: het leed dat dieren in het wild ondergaan is in volume veel groter dan het leed dat gedomesticeerde dieren ervaren door menselijk toedoen. In zekere zin doet het er voor dieren niet toe of de oorzaak van hun lijden menselijk of natuurlijk is. Pijn is pijn, leed is leed. Waar we op een makkelijke en onproblematische wijze leed in de natuur kunnen verhinderen, anticonceptie toedienen aan dieren in bepaalde nationale parken om overpopulatie en hongerdood te vermijden bijvoorbeeld, siert het de homo sapiens om dat te doen. Dat leed van wilde dieren geen prioriteit is, heeft vooral te maken met het feit dat het zeer moeilijk aan te pakken is (de ecologische gevolgen van elke ingreep zijn moeilijk te overzien). En het houdt steek om eerst te proberen het leed te minimaliseren dat we zelf veroorzaken.

De Dijns relativering van dierlijk lijden via een reductio ad absurdum is vooral pijnlijk in het licht van wat op dezelfde dag in alle media was te zien: choquerende beelden die de dierenrechtenorganisatie Animal Rights maakte in een Belgische kippenbroeierij (DS 16 juni) . Of denk aan het nieuws van vorige week: dat in ons land elk jaar tien miljoen kippen geslacht worden (dagelijks ruim 27.000) terwijl ze niet of onvoldoende verdoofd zijn. En tenzij u niet heeft durven kijken, herinnert u zich vast het varken dat krijsend probeerde te ontsnappen uit het verschroeiende waterbad in het slachthuis van Tielt (DS 24 maart) . Als Herman De Dijn het lijden dan niet ziet of er positieve aspecten in kan ontwaren, dan wil ik dat graag weten, want ook ik kan die beelden niet vergeten.