woensdag 14 juli 2010

Beste Louis Tobback

Beste Louis Tobback,

Al een jaar of twaalf ben ik gewoon aan de grootste onnozelheden en de dwaaste uitspraken rond alles wat niet alleen vegetarisme, maar ook onze behandeling van dieren betreft. Er is dus een en ander nodig om me in mijn koffie te doen verslikken, of om verontwaardiging in mij naar boven te halen op dat gebied.

Maar u bent er goed in geslaagd.

In een interview met De Morgen (26 juni) zegt u ([misprijzend], aldus De Morgen) dat men in Nederland "op een moment waarop de werkloosheid stijgt, waarop men miljarden euro's moet besparen, toch weer meemaakt dat enkele honderdduizenden gelukkige Nederlanders vinden dat het welzijn van de kat en hond het belangrijkste is. Dat zij alweer een lid van de Partij voor de Dieren naar de Tweede Kamer sturen. Hoe kan een land dat zich zulke onbenulligheden kan veroorloven, nu eigenlijk problemen hebben? De samenleving waar dat kan is decadent, punt uit."

Eigenaardig, hoe u als een indicatie van decadentie ziet wat ik waarneem als een aanwijzing van morele vooruitgang. Ik bevind me daarmee in het gezelschap van Gandhi, denk ik. Die zei: "The greatness of a nation and its moral progress can be judged by the way its animals are treated."
Het gaat hier niet - mocht u dat al denken, Mr. Tobback - om een strikje voor Fifi of duurder voedsel voor Felix. De Partij voor de Dieren in Nederland is in hoofdzaak bezig met het lot van landbouwdieren. Daarvan worden er in België jaarlijks een kleine 300 miljoen geslacht voor voedsel. Wereldwijd zijn dat er zestig miljard. Die dieren hebben bijna allemaal een ellendig leven, en hen zo behandelen, is beneden onze menselijkheid. Dat is verrevan een onbenulligheid.

De eigenlijke decadentie, Mr. Tobback, doet zich voor wanneer intelligente mensen zoals u te lui zijn om even wat dieper na te denken.