donderdag 26 november 2009

Van slachthuis tot slagveld

De beelden van onverdoofde slachtingen die dierenrechtenorganisatie GAIA het land instuurde zijn choquerend. Dat is het minste wat je ervan kan zeggen. Als we dieren willen doden voor voedsel, dan moeten we hen vanzelfsprekend een zo snel en pijnloos mogelijke dood bezorgen. Onverdoofd doden kan niet, punt.

Maar hoe enorm belangrijk ook, uiteindelijk is het al dan niet verdoven eigenlijk… bijzaak. Het gaat niet om moslims of niet, of om verdoving of niet. Het gaat om het slachten zelf. In een slachthuis zal nooit iets moois gebeuren. Een slachthuis biedt alleen maar een logisch einde aan wat voor de rest doorgaans een kort en vreselijk leven was.

Wereldwijd is zo’n einde jaarlijks het lot van zestig miljard dieren – een kleine twee duizend per seconde. Dat einde is wreed voor deze kippen, koeien, varkens en kalkoenen, maar niet minder wreed voor de mensen die het moeten bezorgen. Slachten is een job beneden ieders waardigheid, gelijk op welke manier het gebeurt. Wie vlees wil eten, dient zich te realiseren dat hij een mensonterende taak uitbesteedt aan een ander mens.

Wie moet slachten, kan niet anders dan een deel van zijn empathie uitschakelen, en moet van zijn hart een steen maken. Sociologisch onderzoek wees al uit dat slachthuiswerkers vaker gewelddadig gedrag vertonen. Van slachten wordt de wereld niet beter. Of, zoals de Russische schrijver Leo Tolstoy zei: zolang er slachthuizen zijn, zullen er slagvelden zijn.

Ik droom van een groot feest van de hele mensheid bij het sluiten van het laatste slachthuis, nadat we ons hebben gerealiseerd dat we niet hoeven te slachten, en dat we tot veel hogere en mooiere dingen in staat zijn.