zaterdag 14 maart 2009

Debat god, mens en dier

Deze week zat ik in Sint-Niklaas in een debat met als thema ‘God, mens en dier’, samen met Knack-journalist Joël de Ceulaer en wetenschapper/schrijver Gerard Bodifée. De Ceulaer is even notoir atheïst als Bodifée notoir christen is. Bedoeling was te kijken hoe religie de mens-dier verhouding beinvloedt – iets waar ik tien jaar geleden een deel van mijn thesis in de Vergelijkende Cultuurwetenschappen wijdde.  Ik was achteraf zeer hoopvol gestemd. Mijn input ging natuurlijk vooral over het dier-als-voedsel en wat we moeten doen om daar te komen: dieren doorgaans een redelijk ellendig en kort leven bezorgen, én ze moeten doden. Beiden zijn problematisch voor mij. De Ceulaer zei dat hij ervan overtuigd was dat – vooral door de rationaliteit van de mens – de evolutie naar meer dierenrechten en een uitbreiding van de kring van ethische consideratie onafwendbaar was. Hij voegde eraan toe dat er ongetwijfeld een tijd zou komen wanneer mensen, terugkijkend naar vandaag, niet zouden begrijpen wat ons bezielde,  en zich zouden afvragen hoe we op die manier over dieren konden denken.  Ik vroeg hem of hij geloofde wat Leonardo Da Vinci gezegd zou hebben (of in de mond gelegd wordt): dat er een tijd zou komen wanneer men de moord op een dier zou veroordelen zoals de moord op een mens. De Ceulaer achtte dat mogelijk, maar hij kon niet zeggen in welke richting het precies zou gaan.

Over het idee dat dieren goed behandeld moeten worden zijn de meeste intelligente en een beetje ethisch denkende mensen het in theorie eens, vandaag (wat ze eronder verstaan verschilt natuurlijk). Omdat daar eensgezindheid over was, had ik het vooral over het doden van dieren. Ik geloof dat wij in wezen als mens het goede willen doen. We voelen aan dat doden – ook het doden van dieren – niet ok is, en dat we daar goede redenen voor moeten hebben.  De andere sprekers waren het daarmee eens. Bodifée zei dat het doden van een mens vrijwel nooit gerechtvaardigd zou zijn, en het doden van dieren ook niet, en dat voeding of smaak geen voldoende redenen zijn om dieren te doden.
Helemaal op het einde kwam het interessantste stuk, naar aanleiding van een vraag uit het publiek. Iemand vroeg wat we zouden vinden van dieren die op een superethische wijze gekweekt zouden worden en op een pijnloze manier, zonder dat ze het wisten, aan hun einde zouden komen. De Ceulaer en Bodifée gingen akkoord en vonden dit goed. Ik antwoordde dat doden voor mij uiteraard niet ok was. Bodifée opperde dat het compleet pijnloos kon gebeuren en dat het dier het niet eens zou weten. Ik vroeg hem of het dan ook ok zou zijn om dat te doen met een mens.

‘Nee,’ zei hij, ‘want je knipt een leven af, en dat is niet goed.’ ‘

‘Precies,’ zei ik, ‘en dat is ook zo met dieren.’

‘Ja misschien,’ zei Bodifée, ‘maar doordat we ze eten krijgen ze tenminste nog een leven.’

Ik antwoordde dat het ook in het geval van mensen niet ok zou zijn om ze in leven te brengen om hen dan te gebruiken en eventueel te doden, maar daarop zei hij dat ik de denkfout maakte van “extreme situaties inroepen die toch nooit zouden voorkomen.’ En toen was het tijd om naar huis te gaan.

Alles bij mekaar was ik blij verrast door de openheid van mijn twee collega’s-panelleden. Er is hoop voor een plantaardige toekomst.