dinsdag 30 augustus 2011

Vegetariër zijn of vegetarisch eten?

In een paar vorige posts (flexibel vegetariër zijn en one bite of turkey) had ik het over de mogelijke voordelen van "flexibiliteit" of uitzonderingen maken. Mensen die zich vegetariër noemen, en die toch af en toe vlees eten, geven anderen (normale omnivoren) misschien een minder moeilijk beeld van vegetarisme of vegetarisch eten, en dat heeft natuurlijk zijn voordelen.
Maar er zijn ook nadelen van een dergelijke inconsistentie. Om er maar eentje te noemen: als ik op restaurant zeg dat ik vegetariër ben, en men serveert me vis vanuit het idee dat vegetariërs ook vis eten (omdat men dat al ervaren heeft), dan is dat redelijk vervelend.

Eerst en vooral: wanneer ik het heb over flexibel vegetariër zijn, dan heb ik het effectief over af en toe uitzonderingen maken. Niet over het systematisch iets wél eten (bvb kip of vis) dat niet vegetarisch is. Maar dat terzijde.

Een voorstel: wat als vegetariërs nu eens niet zozeer (op restaurant of andere plaatsen) zouden communiceren dat ze vegetariër zijn, maar dat ze vegetarisch eten. Je kondigt op restaurant of bijscholing of op een diner bij kennissen dus niet aan "ik ben vegetariër" maar wel "ik zou graag een vegetarische maaltijd willen." Dat heeft verschillende voordelen: ten eerste hebben we niet meer het probleem van de definitie. Wat vegetarisch is en wat niet is makkelijker te definiëren dan een vegetariër zelf (bedenk maar eens: is iemand die onbewust iets met vlees heeft gegeten, plots vegetariër af? Hoe lang? Is iemand die niet-vegetarische kaas eet wel of niet vegetariër?). Ten tweede, en belangrijker, we helpen op die manier die eeuwige tweedeling "vegetariër versus de rest" een beetje uit de wereld. Want die werkt alleen maar contraproductief, denk ik.

Ik verklaar me nader. Vandaag denkt wie het woord vegetarisch hoort, aan "vegetariër" en aan "vegetarisme". Maar een onderscheid tussen "vegetarisch" (het adjectief) en "vegetariër"/"vegetarisme" (substantieven) is niet nutteloos. "Vegetariër" en "vegetarisme" zijn zwart-wit woorden (of toch min of meer): je doet iets of je doet iets niet. Een "vegetarische maaltijd" (adjectief) kiezen of "vegetarisch eten", is iets wat iemand vandaag wel, morgen niet kan doen. Iets waarvoor hij of zij elke dag opnieuw kan kiezen.

In de praktijk: vegetarische maaltijden zijn er niet voor vegetariërs, maar voor mensen die vegetarisch willen eten (altijd of vaak of soms). Het belang daarvan is dat de vraag naar en het belang van deze maaltijden plots veel groter worden. Er zijn immers veel meer mensen die af en toe vegetarisch eten, dan dat er vegetariërs zijn. Vegetarische maaltijden worden zo uit het 2%-vegetariërs-verdomhoekje gehaald en krijgen een veel bredere aantrekkingskracht.

Minder vlees eten is een erg belangrijke zaak. Als we door ons taalgebruik en attitudes enkel het onderscheid vegetariër versus niet-vegetariër blijven benadrukken, doen we onrecht aan het feit dat er een heel grote groep mensen is die minder of geen vlees/vis eet. Wat ze gemeenschappelijk hebben is dan niet dat ze geen vlees eten (want dat doet de grootste groep wel) maar dat ze (af en toe of vaak of altijd doet er niet toe) vegetarisch eten. Er ontstaat dus minder tweedracht en een veel groter draagvlak voor meer veggie. En dat is waar het om draait.

vrijdag 19 augustus 2011

"One bite of turkey"

Een paar weken geleden schreef ik in het stukje Flexibel vegetariër zijn dat het misschien contraproductief is wanneer "echte" vegetariërs al te zeer gaan focusen op de uitzonderingen die "bijna-vegetariërs" maken.
Een leuk voorbeeld is dat van Bill Clinton, die nu veganist geworden is. Of niet? Bekij even de video op CNN.

Op Thanksgiving neemt Clinton 1 hap kalkoen. Voor vele veggies en vegans voldoende reden om hem geen vegetariër of veganist te noemen. Maar zoals ik al schreef: misschien is het voor velen bemoedigender om te weten dat zo één hap één keer per jaar toch nog kan of mag. En bovendien: als de journalisten Clinton geen vegan zouden noemen, was het woord en het concept niet in het nieuws geweest.

donderdag 4 augustus 2011

Over strategieën valt wél te discussiëren

Don't worry, deze post gaat niet (echt) over Morrissey.

Er is de laatste dagen héél wat inkt gevloeid over Morrissey's vergelijking tussen het Noorse drama en wat McDonald's aanricht op het gebied van dierenleed. Ook op mijn stuk in De Standaard hierover kwam heel wat reactie - vooral van veggies die het niet eens waren met wat ik schreef.

Eerst en vooral: zelf ben ik, nadat ik het statement van Morrissey had gelezen en de eigenlijke video van het Poolse optreden gezien had, nog wat meer genuanceerd geweest tijdens een paar radiointerviews. De uitspraak bleek in elk geval uit zijn context gerukt en er was bovendien wat aan gesleuteld door de media (zij maakten er iets van als "Noorse drama niets vergeleken bij McDonald's". Dat was niet wat Morrissey zei. Ik moet ook toegeven dat een en ander ertoe geleid heeft dat er echt over vegetarisme en dieren eten gepraat werd, dus - hoewel niet alle praat goede praat is - is dat al een succes op zich.

Verder is het zo ongeveer tijd om het Morrissey-verhaal af te sluiten. Ik wou alleen de discussies van de voorbije dagen nog even als aanleiding nemen om het kort te hebben over verschillende strategieën. Heel vaak kwamen op Facebook reacties à la: al die verschillende aanpakken moeten naast elkaar bestaan, ze zijn complementair, of alle methoden zijn goed, of de ene mensen bereik je zo en de andere zo, dus 't is goed dat er wat vanalles is.

Daar zit, zoals in bijna alles, wel iets in, maar ik denk dat dit een beetje te gesimplificeerd is. Net zoals bij een oplossing voor het wereldhongerprobleem of klimaatverandering of kinderprostitutie of weet ik veel wat, willen we (neem ik aan) niet zomaar eender wat doen, maar willen we een manier van werken kiezen die ons dichter bij ons doel brengt, en liefst zo snel mogelijk. Vandaar is het belangrijk om over strategieën (en dan vooral communciatiestrategieën) na te denken. Dat staat niet gelijk aan anderen bekritiseren of verdeeldheid zaaien. Dat is, zo lijkt me, gewoon gezond.

Bij het kiezen van een methode kunnen we ons onder andere volgende vragen stellen:

1. welke methode zet het meeste zoden aan de dijk?
Jazeker, alle methodes hebben een zekere impact, maar er kunnen ongetwijfeld verschillen opzitten. De ene kan al efficiënter zijn dan de andere. Aangezien we doorgaans beperkte middelen kunnen investeren, lijkt het me belangrijk om de meeste (of alles) daarvan te investeren in de meest efficiënte methode. Natuurlijk kan je ook een methode kiezen op basis van "unserved audiences" of gaten in de markt, maar let dan op nummer 2.

2. zijn er bepaalde negatieve effecten aan een methode voor andere mensen?
Zoals gezegd, elke methode heeft een impact, maar het is perfect mogelijk dat je met methode A een positief effect creëert bij tien mensen, maar bij tien of honderd of duizend andere mensen een negatief effect. Het is erg belangrijk om hiermee rekening te houden.

3. wélke mensen bereik je met je methode (en welke mensen stoot je af met je methode)?
Het kan zijn dat je goed scoort bij een bepaalde groep van jongeren, maar dat je bijvoorbeeld heel slecht scoort bij belangrijke decision-makers. Op wie richt je je?

Dit allemaal maar om te zeggen dat het statement "alle methoden zijn goed" wellicht niet veel juister zal zijn dan "mijn methode is de enige juiste". Bepaalde methoden in vraag stellen en energie investeren in discussiëren, hoeft dus zeker niet nutteloos te zijn - al ga ik akkoord dat er grenzen moeten zijn en dat het ergens moet eindigen. Maar vaak wordt er wellicht niet voldoende over nagedacht.

Wat niet helpt is natuurlijk het feit dat sociale organisaties meestal niet het geld hebben om grondig onderzoek te doen naar de impact van hun strategieën. Met EVA tasten we ongeveer evenzeer in het duister. We hebben hier en daar indicaties, er is wat onderzoek, maar de kern van onze aanpak ligt - denk ik - in het ons proberen stellen in de schoenen van de mensen die we willen bereiken. Dat is een heel moeilijke opgave wanneer je heilig van iets overtuigd bent, maar het is een heel erg noodzakelijke oefening. Ik schreef er eerder over in You are not your audience.

Keer op keer merk ik hoe moeilijk het is voor mezelf en voor anderen om zich in te beelden hoe anderen zich voelen bij de eigen communicatie. En dat gevoel is uiteindelijk al wat telt. Zoals gezegd, wat waar is, is eigenlijk niet zo belangrijk. Je mag op je kop gaan staan en je mag duizend keer gelijk hebben, als de ander het zo niet aanvoelt, dan sta je nergens. Tenzij je doel natuurlijk is om gelijk te halen. Dan kan je maar best blijven proberen.

De afgelopen dagen merkte ik dat de voorstanders van het choqueren (à la Morrissey - veel veggies vonden er zelfs niets choquerends aan), de voorstanders van het "eens goed de waarheid zeggen", vooral vegetariërs zijn, en dat ik van andere mensen, niet-vegetariërs, doorgaans andere reacties kreeg. (Dit is een anekdotisch gegeven, en je zou er eigenlijk onderzoek moeten naar laten doen, maar zoals gezegd: geen geld.) Het zijn uiteraard de niet-vegetariërs die we bij EVA willen bereiken, niet om ze te overtuigen, maar om hen voor hen de informatie beschikbaar te maken, of om ze beslissingen te helpen nemen in de richting van vleesvermindering.

Wat er gebeurt is denk ik duidelijk. Of het nu gaat over milieu, geld geven aan het Zuiden, of dierenrechten: we hebben allemaal nogal makkelijk de neiging om te denken dat andere mensen zullen overtuigd worden of veranderen door datgene waar we zelf door veranderden of overtuigd raakten: die slogan, die video, die uitspraak, die foto... Het feit dat er in onze vriendenkring ook mensen zitten die op dezelfde manier overtuigd werden, maakt het allemaal nog misleidender: onze vrienden zijn heel vaak mensen waarmee we een en ander gemeenschappelijk hebben. Daarnaast zijn er nog andere hinderpalen om een goed inzicht te hebben in wat de beste aanpak is: we zien voor een stuk wat we willen zien. En ook: eens we ons iets eigen gemaakt hebben, is het moeilijk om daarvan af te stappen of dat in vraag te stellen. Het is van ons, we doen het al een tijdje, we kunnen er niet meer objectief naar kijken.

Bij EVA hebben we gekozen voor een bepaalde methode, met als kenmerken onder meer positiviteit, nadruk op lekker eten, een graduele aanpak, en "alle redenen om minder of geen vlees te eten zijn goed". Of dat de beste methode is, dat weten we niet, we kunnen alleen maar hopen dat het werkt. En er zijn zeker andere werkwijzen die complementair zijn en die moeten bestaan, en die wij zelf niet doen. Op het gebied van het verminderen van dierenleed kunnen dat zijn: goede straatacties die media-aandacht trekken bijvoorbeeld. Campagnes om ook het welzijn van dieren te verbeteren. Vegetarische catering. Undercover videos maken van dierenleed en die wereldkundig maken... Allemaal dingen die naast elkaar kunnen bestaan.

Waar ik hoegenaamd niet in geloof (niet meer, want vroeger deed ik eraan mee) is in mensen schuldgevoelens aanpraten. Wellicht zijn er vele vegetariërs die hiermee instemmen, maar ik vrees dat we ons niet altijd realiseren hoe makkelijk mensen wel schuldgevoelens krijgen door wat we communiceren (of alleen al door wat we eten!). "Dat is hun probleem", hoor ik sommigen zeggen. Nee, ook ons probleem. "Meat is murder" is bijvoorbeeld (onrechtstreeks) een beschuldiging, of, tenminste, klinkt als een beschuldiging voor de meeste mensen. Even wat citeren:

The animal advocacy movement is notorious for pointing the finger at those who fail to live up to our standards. In the 1980s and 1990s many posters proclaimed “Meat is Murder.” One animal rights t-shirt sports a picture of a cow and the slogan “I died for your sins.” We may find such slogans funny (or true), but studies have consistently found that as non-profits increase the amount of guilt in their messages, their persuasiveness drops (Dillard, Kinney and Cruz 1996; Coulter and Pinto 1995).

One reason for this is that most of us think of ourselves as decent people. We do what's right, and we live ethical lives. When we are confronted with the reality that we are causing someone else to suffer (such as the animal that ended up on our plate), we have two choices. We can admit that what we are doing is wrong, and that it is causing unnecessary suffering and death; but an admittance like that would contradict our belief that we are a good person. The second and easier choice is to find a justification for why our behavior is in fact okay: "animals were put here for our use," "animals don't feel pain," "who cares they're just animals," etc. When we feel personally responsible for causing someone else to suffer we automatically start to value them a lot less, which gives us an excuse to not care about what happens to them. (Lerner and Simmons 1966).


Voor mij houdt dat allemaal erg veel steek. Het zijn zaken waar we af en toe moeten bij stil staan, en dat gebeurt enkel als we ons in de ander z'n schoenen plaatsen, en ons inbeelden hoe het voor hem/haar is om onze boodschap te horen.

Als we de wereld echt en snel willen veranderen, kunnen we dan niet beter onszelf en anderen af en toe even in vraag te stellen, en er niet te snel van uit te gaan dat alle middelen goed zijn? Er staat teveel op het spel.

PS: Morrissey fans, ik heb niets tegen Morrissey. Hoera voor zij die niet onverschillig zijn.