Doorgaan naar hoofdcontent

Superbacteriën en supergoedkoop vlees

Dit opiniestuk van me verscheen vandaag in De Morgen

De nieuwe publieke vijand nummer een heet ESBL. Het is een gevaarlijke, zogenaamde superbacterie, die ondertussen al bijna resistent is tegen zelfs de zwaarste antibiotica. Experts in Wenen trokken gisteren aan de alarmbel. Mag het gezegd dat er – voor de zoveelste keer – heel sterke aanwijzingen zijn dat ook dit gezondheidsgevaar voortkomt uit… de intensieve veeteelt?

In Nederland blijkt bijna negentig procent van het geteste kippenvlees besmet met de ESBL bacterie. Of de ziekteverwekker zelf afkomstig is uit de veeteelt staat nog niet vast. Wat wel duidelijk is, is dat de intensieve veeteelt de antibiotica-resistentie bij mensen enorm in de hand werkt. In veebedrijven zitten soms tot duizenden (varkens) of tienduizenden (kippen) dieren op elkaar gepakt, waardoor de kans op overdracht van ziekteverwekkers veel groter wordt en de potentiële gevolgen enorm. De enige manier om dieren in dergelijke omstandigheden gezond te houden (hen te laten leven tot ze slachtrijp zijn, zeg maar) is echter om ze vol te pompen met geneesmiddelen. De veehouder probeert dus het risico op het opduiken en verspreiden van ziekten te beperken door het preventief en therapeutisch gebruik van antibiotica. En zo ontstaat een wapenwedloop tussen geneesmiddelen en ziekteverwekkers. Daarvan is de ESBL bacterie slechts de meest recente beroemdheid: ook het H1N1 virus dat de Mexicaanse griep veroorzaakt –eerst varkensgriep genoemd – zou ook ontstaan zijn in de intensieve veeteelt.
Een reportage over de bacterie op het VTM-nieuws is typisch voor de gelatenheid waarmee vaak gereageerd wordt op dergelijke potentiële nachtmerries: nadat bericht wordt dat we de bacterie ook via de voeding kunnen opdoen (ook in België is besmet kippenvlees aangetroffen) krijgen we het advies van een expert. Jan Verhaegen, microbioloog UZ Leuven, stelt ons gerust: ‘gewoon het kippenvlees goed verwarmen’. De reporter voegt er nog aan toe dat, willen we antibioticaresistentie niet in de hand werken, dokters niet te vlug antibiotica mogen voorschrijven en patiënten er niet bij het minste kwaaltje mogen om vragen. En daarmee is de kous af. Geen woord over antibioticagebruik in de veeteelt. Alles is in orde, het vlees is weer veilig.

Nochtans zit precies daar het probleem. Antibioticarestanten blijven na de slacht van het dier in zeer lage hoeveelheden aanwezig in het vlees. Mensen nemen deze residu’s op, kippenbout per kippenbout, biefstuk per biefstuk. Op deze manier verliezen de antibiotica hun effectiviteit en ontstaat er antibiotica-resistentie. Bijzonder zorgwekkend is toch wel dat ook dierlijke mest antibioticaresidu’s en bacteriën kan bevatten, die uiteindelijk ook worden aangetroffen in bemeste groenten en fruit.

Kan de veeteelt zonder antibiotica? Een ziekte die opduikt bij een paar dieren kan, zonder ingrijpen, in een mum van tijd een hele stal infecteren. Antibioticagebruik werd reeds teruggedrongen in de veeteelt: groeibevorderende antibiotica zijn niet langer toegelaten, maar er wordt nog steeds volop gebruik gemaakt van antibiotica voor preventieve en therapeutische doeleinden. Verdere beperkingen zijn immers niet evident: die zouden de productie van vlees duurder en economisch meer risicovol maken. De veehouderij schuift het probleem (deels terecht) af op de consument: die is niet bereid veel te betalen voor zijn vlees, en wil het elke dag op tafel. Per Belg wordt zo’n 100 kilogram vlees per jaar geconsumeerd. En diezelfde Belgen geven nog slechts vijftien procent van hun maandbudget uit aan voedsel.

Welke alternatieven en oplossingen zijn er? We kunnen er ons verschillende indenken, maar er is één oplossing die niet alleen dit probleem maar ook een schare andere problemen ingrijpend kan beperken of zelfs kan elimineren: minder vlees eten. Dat betekent een lager aanbod en een minder intensieve veeteelt. Dat betekent minder CO2-uitstoot, een efficiënter voedselproductiesysteem, minder dierlijke vetten en dus minder hart- en vaatziekten, meer voedselveiligheid en minder dierenleed. We zijn enorm gebaat met minder vlees, maar uitgerekend deze heel simpele en doenbare stap is voor velen vooralsnog een brug te ver. Elke dag vlees op ons bord lijkt voor de gemiddelde Belg een verworven recht of een noodzaak.
De vraag rijst dan: wat moet er gebeuren eer iemand actie onderneemt? De Wereldgezondheidsorganisatie waarschuwde dertig jaar geleden al voor de gevolgen van het grootschalige gebruik van antibiotica voor veedieren. Hoe lang kunnen economische belangen het laatste woord krijgen? De intensieve veeteelt is een absolute tijdbom, zowel voor de volksgezondheid als voor het milieu. Hoe kan een systeem dat erop gericht is zoveel mogelijk geld te genereren door zoveel mogelijk dieren zo vlug mogelijk zo vet mogelijk te maken met zo weinig mogelijk kosten, ooit iets goeds opbrengen?
Laat ons niet met de vinger wijzen en gewoon besluiten: de intensieve veeteelt is een uitwas van de menselijke beschaving. Ze is niemands fout, maar we moeten ervan af.

Reacties

Populaire posts van deze blog

Flexibel vegetariër zijn?

Ik wil iets zeggen waar vele rabiate vegetariërs en veganisten misschien het vliegend sch*#!t zullen aan hebben. Het gaat over flexibele vegetariërs. Ik schrijf bewust niet "flexitariërs", want deze laatste term heeft (jammer genoeg vind ik) de betekenis gekregen van "parttime vegetariër": iemand die pakweg 3 à 4 dagen per week veggie eet en andere dagen vlees. Nee, ik heb het over vegetariërs die af en toe uitzonderingen maken. Da's moeilijk om te zeggen, want vegetariërs die af en toe uitzonderingen maken, dat zijn eigenlijk geen vegetariërs. En daarover gaat het. Als ik vroeger dergelijke bijna-vegetariërs (laat ons ze zo even noemen) tegenkwam, dacht ik altijd: hoe flauw, hoe inconsequent, hoe hypocriet. Ondertussen ben ik - terwijl ik zelf nog steeds een min of meer uitzonderingsloze veganist ben, daar niet van - van mening veranderd. Ja, ik stoor me zelfs een beetje aan de ("echte") vegetariërs die er altijd als de kippen bij zijn om van die bi

Brief aan de omnivore medemens

Vegetariërs zijn ook maar mensen, en mensen willen begrijpen en begrepen worden. Vandaar deze poging om een en ander uitgelegd te krijgen aan niet-vegetariërs. Liefste omnivore medemens, Wij vegetariërs (eigenlijk moet ik voor mezelf spreken, maar goed) kunnen u al eens op de zenuwen werken. We storen u met onze preken, we eten niet altijd op wat u ons voorschotelt, we doen lastig als we samen op restaurant willen, we vertragen alles doordat we verpakkingen willen nalezen, we reageren soms sociaal onaangepast en we doen u af en toe misschien zelfs schuldig voelen. Weet, beste medemens, dat het vegetariër-zijn in een carnivore wereld ons niet altijd even makkelijk valt en sta me toe u een kleine inkijk te geven in het hoofd van tenminste één veggie. Jawel, het vegetarische leven is niet altijd simpel. O nee, ik heb het niet over die duizenden keren dat we dezelfde vragen moeten beantwoorden (wat eet jij eigenlijk? waar haal je je eiwitten vandaan?), over dat lezen van die verpakking

Een veggie gevoel voor humor

"If I can't dance, I don't want your revolution" Het zijn de gevleugelde woorden van activiste, feministe, anarchiste Emma Goldman. Ze sprak ze tegen een collega-revolutionair, die haar gezegd had dat het niet ok was voor iemand als zij om zo te dansen. Persoonlijk heb ik niet zoveel met dansen, maar ik voel veel voor het sentiment achter bovenstaand citaat. Ik kan het best opnieuw zeggen met Goldmans eigen woorden: "I did not believe that a Cause which stood for a beautiful ideal (...) should demand the denial of life and joy." Dat geldt volgens mij voor alle sociale kwesties. Gelijk hoe erg en vreselijk de zaken zijn waartegen gevochten wordt ook zijn: humor, lachen, genot, vreugde moeten denk ik *altijd* deel uitmaken van de aanpak, moeten eigen zijn aan de mensen die verandering willen. Eigenlijk is het kinderlijk eenvoudig: wie grote verandering wil, moet grote groepen van mensen bereiken en voor zijn kar spannen. Daar zijn verschillende manieren